Twee fragmenten < terug 3. Het belang van zelfkennis Mensen in deze tijd kunnen meer dan eerdere generaties zelf vorm geven aan hun leven. Dat geldt in sterke mate voor vrouwen, maar niet alleen voor hen. Veel van de vroegere sociale ordeningen en verbindingen die het leven en de identiteit van mensen voor een belangrijk deel bepaalden zijn vervaagd of weggevallen. Vroegere houvasten brokkelen af en mensen worden meer op zichzelf teruggeworpen. Minder tragisch getoonzet betekent dit een cultuur van eigen keuze en zelfbepaling; mensen moeten er zelf iets van maken. Ze worden in deze tijd, aldus de socioloog Anthony Giddens, regisseurs van hun eigen leven. Tegen deze opvatting valt veel in te brengen, omdat het voorbijgaat aan alle open en verborgen hindernissen en onvermogens, al die ongelijkheden in erfenissen en kansen. Het is een ideaal, en hoe dwingend dit ideaal ook is, zeker onder jongeren en jong-volwassenen, het gaat voorbij aan de beperkingen waaronder mensen leven. En ook aan de ongelijke verdeling van kansen en vermogens: van talenten, van rijkdom, van netwerk — van alle vormen van kapitaal die de socioloog Pierre Bourdieu onderscheidt. Toch leeft dit ideaal in deze tijd sterk. Dat heeft gevolgen voor de zelfidealen en zelfbeelden. De eisen die dit ideaal aan mensen stelt zijn hoog, en een van de belangrijkste eisen is zelfkennis: inzicht in eigen verlangens, vermogens en beperkingen. Dit regisseurschap vereist en veronderstelt zelfkennis:de kennis van het zelf. Mensen stellen zich meer vragen over wie zij zijn, waar ze staan en waar ze vandaan komen. Nu vroegere houvasten voor een deel zijn verdwenen ervaren ze de behoefte aan plaatsbepaling, die nu immers niet meer van buitenaf gegeven is. Het leidt tot een enorme belangstelling voor familiegeschiedenis en voor genealogie: op zoek naar de herkomst. Voor familiegeschiedenissen van anderen — denk aan de populariteit van Judith Koelemeijers Het zwijgen van Maria Zachea en Het pauperparadijs van Suzanna Jansen — maar vooral ook voor die van mensen zelf. Levensgeschiedenissen, autobiografische verhalen, genealogie: het zijn populaire thema’s (ook doorgedrongen in bladen als Margriet en Libelle), die in een duidelijke behoefte voorzien: een antwoord te vinden op vragen als: waar kom ik vandaan, waar hoor ik bij, wat heeft mij bepaald of beïnvloed? Een behoefte, kortom, aan zelfkennis. Deze levensverhalen laten ook iets anders zien: mensen in hun
alledaagse leven, met hun dagelijks gedoe en getob. Het is niet meer
alleen het leven van de groten en rijken dat interessant is, ook het
gewone leven is het waard gezien te worden. Deze democratisering van de
aandacht die nu ook naar ‘gewone mensen’ uitgaat, is een ander proces
dat de behoefte aan zelfkennis voedt. Ook zij doen ertoe en hebben niet
alleen een stem (bij verkiezingen), maar ook een verhaal. Ook hun
alledaagse leven is interessant — getuige bijvoorbeeld het enorme
succes van de tentoonstelling Beroep huisvrouw tien jaar
geleden in het Historisch Museum in Amsterdam. Ongeëvenaarde
bezoekersaantallen, uitroepen van herkenning bij bepaalde pannen,
keukenkastjes en huishoudelijke apparatuur: ‘Dat hadden wij ook.’ Het
gewone leven nu ook in het museum, waarmee het boven het banale wordt
uitgetild, uit de onzichtbaarheid gehaald, bezien met de blik van
herkenning. Maar ook metandere ogen bekeken: het eigen private leven
wordt met terugwerkende kracht de moeite waard om gezien te worden in
de publieke ruimte. Het eigen leven doet ertoe, de gewone voorwerpen en
handelingen, en daarmee ook zijzelf, worden terugblikkend met
belangstelling bezien, uitgelicht en in de context van de tijd
geplaatst. Kennis van de tijd wordt nu ook kennis van henzelf. Big Brother en De gouden kooi zijn recentere voorbeelden van hoe het gewone leven het waard is publiekelijk te worden vertoond. In deze tv-programma’s is de scheidslijn tussen privé en openbaar opgeheven — ook de meest banale gesprekken en handelingen worden zichtbaar gemaakt —, maar ook die tussen hoog en laag, tussen kunst en dagelijksheid, tussen interessant en banaal, tussen gepast en ongepast. Op allerlei manieren wordt geschoven met en gemorreld aan sociale
ordeningen en de orde der dingen. Scheidslijnen zijn poreuzer geworden,
tussen frontstage en backstage, tussen mannen- en vrouwenwerelden, tussen sociale klassen. Er is ook een grotere onvastheid over waarden en waarheid, over echt en fake. Mensen kunnen verder gaan en virtuele levens gaan leiden, zich op
internet anders voordoen dan ze zijn en zich een nieuwe identiteit
aanmeten. Second Life is zo’n virtuele wereld,
driedimensionaal, waarin bewoners kunnen zijn wie ze willen zijn, doen
wat ze altijd hadden gedroomd te doen. Ze ‘bouwen wat hun creativiteit
hun ingeeft’, schrijft Ilja Leonard Pfeiffer, die een tijdlang
‘bewoner’ was van deze wereld en daarvan als correspondent voor nrc.next verslag
deed. ‘Het is soms echter dan het echte leven.’ Zijn reportages zijn te
lezen als ‘reisgids door Second Life’ en tevens ‘een nietsontziend
zelfonderzoek naar ware en gedroomde realiteit’. Wat ‘echt’ is
en ‘nep’ wordt minder duidelijk. We zijn omgeven door gemanipuleerde
beelden. Het jaarlijkse festival Winternachten is in 2009 gewijd aan Fake, aan het debat over manipulatie in de kunst, media en politiek, of ‘de manipulatie van de waarheid’. Het streven naar zelfkennis
is dus meer dan een amusante vrijetijdsbesteding, stellen de
voorvechters van het belang van zelfinzicht die zowel onder sociologen
als psychologen te vinden zijn. En onder filosofen. Nu en vroeger. Een
leven zonder zelfonderzoek is het niet waard geleefd te worden, was de
lijfspreuk van Socrates. En op het orakel in Delphi staat sinds vijf
eeuwen voor Christus de opdracht gebeiteld Ken uzelve. Maar dat gaat om andere kennis, met een andere functie. In deze tijd is zelfkennis belangrijk om je een weg te kunnen banen in
de veelheid van mogelijkheden — zie de leraar aan het begin van dit
boek. Want kiezen veronderstelt zelfkennis. Zonder inzicht in eigen
vermogens stagneer je omdat je je talenten niet kent; zonder inzicht in
eigen onvermogens stoot je het hoofd bij overmoed en zelfoverschatting.
Zonder zelfinzicht kun je het spoor bijster raken omdat je niet kunt
kiezen, niet weet wat je kunt en wilt, maar ook niet wat je beperkingen
zijn. Mensen hebben een grotere vrijheid gekregen in de inrichting van hun leven. De dwang van buiten — regels, voorschriften en sancties — is verminderd en er wordt een sterker beroep gedaan op de dwang van binnen. Fremdzwang wordt Selbstzwang, aldus Norbert Elias: de dwang van buiten wordt verinnerlijkt en werkt automatisch. Dat betekent een sterker beroep op zelfsturing en zelfbepaling. En ook dat vraagt om zelfkennis. Een verzwakking van autoriteit, een verlies van richtinggevende idealen, een relativering van waarden en waarheid maakt mensen meer op zichzelf aangewezen. Minder richting van buiten geeft een grotere gerichtheid op binnen; op zichzelf, op het zelf. 13. Geen zelf zonder anderen Verschillende opvattingen over het zelf zijn inmiddels de revue gepasseerd, afkomstig uit de psychologie, de geschiedenis, de filosofie, en deze heb ik steeds naar mijn sociologische hand gezet. De invloed van anderen op het zelf is uitvoerig belicht. Het basale gegeven dat mensen door en door sociaal zijn, zoals de socioloog Johan Goudsblom het bondig stelt, geldt dus zelfs voor iets dat als het meest eigen en individueel wordt beleefd: het zelf. Hierop
doordenkend verrijst een ander mensbeeld dan gangbaar is. Mensen zien
zichzelf in veel gevallen als autonoom, als individuen die hun eigen
netwerk creëren, hun eigen plan trekken, eigen keuzes maken, en hun
eigen leven bepalen; naar de idealen van de tijd — individualiteit,
autonomie — die doorgedrongen zijn in de manier waarop mensen zichzelf
ervaren. Mensen variëren weliswaar in de mate van autonomie — er zijn
mensen die de eenzaamheid goed verdragen en ook nodig hebben om ‘tot
zichzelf’ te komen, anderen voelen zich pas bestaan in gezelschap van
anderen, en pas van waarde als ze zich door anderen goedgekeurd weten —
maar ook de kluizenaars onder ons zijn aangewezen op anderen. Het beeld van de homo clausus,
van het individu los van anderen, is een gebruikelijke zelfervaring van
mensen in deze tijd, stelt de socioloog Norbert Elias, maar het is een
beeld dat niet in overeenstemming is met de werkelijkheid. Hij stelt
daar een ander mensbeeld tegenover, van de homines aperti,
waarin mensen in open verbinding staan metanderen, gevormd zijn door
anderen, en aangewezen zijn op anderen. Het mensbeeld kortom dat in dit
boek voortdurend opdoemt. Op een heel basaal en tijdloos niveau kunnen moeders de band met hun kinderen zo ervaren — als een ook fysiek ‘meetrillen’ of ‘meedeinen’ met het wel en wee van hun kinderen. Zelfs de meest geëmancipeerde moeder, vergevorderd in autonomie, kan soms tot haar eigen verbazing ervaren hoe het haar fysiek lam kan leggen als er iets met haar kinderen aan de hand is: de steen op de maag, het uitgeholde hart, het verzenuwde lichaam. Bij de zelfervaring van mensen als open systemen, in verbinding
metanderen, past het beeld van het netwerk, de figuratie, of wat de
criminoloog Hans Boutellier de ‘nodale orde’ noemt. De socioloog Jan
Willem Duyvendak spreekt van ‘lichte gemeenschappen’, als contrast met
de traditionele hechtere groepen (in dorp of buurt, religieuze zuil,
sociale klasse) die in eerdere generaties voor een belangrijk deel
bepalend waren voor iemands leven. De bindingen zijn flexibeler
geworden, maar geenszins verdwenen, zoals sombere tijdsdiagnoses
luiden. De huidige samenleving is geen verzameling losse individuen; er
hebben zich andere structuren en patronen van bindingen en verknopingen
ontwikkeld tussen mensen. Een ander ‘wij’ dan in de tijd van de zuilen
en de welomlijnde sociale klassen, metandere verbindingen en een andere
verbondenheid, maar mensen leven niet in een sociaal vacuüm als
autonoom opererende wezens. Ze zijn geen los zand, er is geen anomie.
Het mensbeeld van de homo clausus is, kortom, hoognodig aan vervanging toe. Het is echter verbazend hoe taai het beeld is van het individu los van anderen, ook in de wetenschap. We kwamen het al tegen bij sommige filosofen in hun opvatting van Ik en de Ander. Psychiaters als Fromm en Winnicott maken een splitsing tussen het ‘oorspronkelijke zelf’ en het ‘false self’, waarbij het laatste het deel van het zelf is dat naar buiten is gericht en in contact staat met de buitenwereld. Ook in de economie, stelt de econoom Arjo Klamer, wordt nog altijd gedacht in termen van een contextloos individu. Het is overduidelijk hoe belangrijk de relaties tussen mensen zijn voor hun doen en laten, voor hun zetten in het spel, voor hun zelfgevoel en welbevinden, maar dit basale inzicht wordt zelden in de denkmodellen verdisconteerd. Sociologen als Ervin Goffman en Randall Collins doen dit wel: ze kijken consequent naar situaties en interacties en ontwikkelen daarmee een vorm van microsociologie die ook vruchtbaar is om ontwikkelingen op meer globale niveaus te begrijpen; gebaseerd op een mensbeeld waarin deze verbonden zijn metanderen. Mensen zijn sociale wezens, aangewezen op elkaar voor warmte,
voedsel, onderdak, veiligheid, waardering en zelfwaardering, gevoel en
zelfgevoel. Aanhankelijk en afhankelijk. Tot het einde toe. Als remedie adviseert hij om ‘de eigen zwaartekracht te produceren’. Door zich toe te leggen op activiteiten als sport, kunst en wetenschap kunnen mensen de verveling bestrijden door de kracht van de herhaling en het streven naar virtuositeit. Ook nood (oorlog, overstroming, gevaar van buiten) geeft een focus, maar zonder nood moeten mensen hun eigen focus creëren. Dat kunnen zij doen door ‘vitale projecten en hoopvolle ontmoetingen’. Het Duitse woord Verknüpfungen vind ik beter dan ontmoetingen: het laat meer zien hoe mensen verknoopt zijn met elkaar, in gekozen en ongekozen afhankelijkheden; en ‘projecten’ wijst op de flexibiliteit van de bindingen. Maar ondanks die gebondenheid van mensen is autonomie een krachtig ideaal, ook al kiezen mensen in vrijheid vaak voor hetzelfde. ‘De mens is nu eenmaal een groepsdier,’ zoals Van Dantzig stelt: ‘We hebben er alles voor over om erbij te horen, zo veilig mogelijk en als het kan met enig aanzien.’ |

